Learn Dutch
B2 · Verbs

The passive with worden and met

worden + participle, and met for the means or the manner.

  1. De bewoners werden met een brief over de renovatie ___. (informeren)
  2. Het gebouw moet met zorg ___. (renoveren)
  3. De aanvraag is met een postcode en huisnummer ___. (indienen)
  4. Het contract wordt met een notaris ___. (sluiten)
  5. De normen zijn met opzet ___. (overschrijden)
  6. Het bedrag is met 500 euro ___. (verhogen)
  7. De klus moet met spoed ___. (afronden)
  8. De mededeling is met een persoonlijke brief ___. (versturen)
  9. Het akkoord is met een ruime meerderheid ___. (bereiken)
  10. Het personeelsbestand is met drie mensen ___. (uitbreiden)
  11. Het dossier zal met een nieuwe beveiliging ___. (beveiligen)
  12. De beoordeling is met een externe jury ___. (verrichten)