Learn Dutch
B2 · Verbs

Real conditionals

Als plus present, and the present or future in the main clause.

  1. Als de raad het plan goedkeurt, ___ de uitvoering in het voorjaar. (beginnen)
  2. Als het regent, ___ we thuis. (blijven)
  3. Als de aanvraag vóór vrijdag binnenkomt, ___ de uitkomst volgende week bekend zijn. (zullen)
  4. Als de trein uitvalt, ___ we met de bus naar de stad. (zullen)
  5. Als je je opgeeft, ___ je de uitnodiging per e-mail. (ontvangen)
  6. Wanneer de excursie begint, ___ de gids het programma. (bespreken)
  7. Als er meer aanmeldingen komen, wordt de tweede groep ook ___. (starten)
  8. Zodra de vergunning is verleend, mag de aannemer met de werkzaamheden ___. (beginnen)
  9. Als de kosten uit de begroting komen, ___ het project haalbaar. (zijn)
  10. Als jullie het eens zijn, sturen we morgen het contract ___. (sturen)
  11. Als er een klacht komt, ___ we die binnen vijf dagen. (behandelen)
  12. Zolang de staking duurt, ___ er geen treinen. (rijden)