Learn Dutch
B2 · Verbs

The third conditional

Had plus participle, and zou plus have plus participle.

  1. Als hij was meegegaan, ___ hij meer van de stad hebben gezien. (zijn)
  2. Als we de brief eerder had gelezen, ___ we het probleem voorkomen. (kunnen)
  3. Hadden jullie de prijs vergeleken, dan ___ jullie een betere keuze hebben gemaakt. (zullen)
  4. Zonder die zware regen ___ de oogst niet zijn mislukt. (zijn)
  5. Als de arts beter had geluisterd, ___ hij de klacht eerder herkend. (zullen)
  6. Ik ___ dat niet gedaan hebben, als ik het geweten had. (zullen)
  7. Hadden de bewoners geëmigreerd, ___ ze een ander leven gehad. (zijn)
  8. Als de belastingdienst het formulier had nagekeken, ___ de fout niet zijn overgeslagen. (zijn)
  9. Had je maar op de kaart gekeken, dan ___ je het station direct gevonden. (zullen)
  10. Als de sponsor was blijven, ___ het evenement niet zijn afgelast. (zijn)
  11. Wij ___ ons destijds beter gerealiseerd, als we de tijd hadden gehad. (zullen)
  12. Als hij de aanwijzingen van de arts had opgevolgd, ___ hij nu gezond zijn. (zijn)