Learn Dutch
B2 · Verbs

Purpose with om … te

Why something happens: om plus infinitive, and the same subject.

  1. De gemeente stuurt een brief om de bewoners over de sloop te ___. (informeren)
  2. Het werk is vorige week gestopt om de leidingen te ___. (vervangen)
  3. Zij vroeg de huisman om de sleutel te ___. (zoeken)
  4. We kwamen twee dagen eerder om de tijd te ___. (besparen)
  5. De film werd korter gemaakt om beter bij het programma te ___. (passen)
  6. Ik bel u morgen om een afspraak te ___. (maken)
  7. De bewoners kwamen samen om hun mening over het plan te ___. (geven)
  8. Er is een extra dienstregeling gekomen om de overlast te ___. (verminderen)
  9. We hebben de vergadering verzet om de agenda beter te ___. (bespreken)
  10. Hij sloot de deur om de tocht niet te ___. (missen)
  11. De overheid publiceerde de cijfers om de ontwikkeling te ___. (verduidelijken)
  12. Wij hebben de procedure vereenvoudigd om de aanvraag sneller te ___. (behandelen)