B2 · Verbs
Indirect speech
Hij zei dat hij …: reporting words with a shifted tense.
- Hij zei dat hij de volgende dag zou ___. (komen)
- Zij vroeg of de vergissing al ___ was. (opgemerkt)
- De directeur beval de medewerkers het document direct te ___. (verzenden)
- De getuige verklaarde dat hij de brief nooit had ___. (zien)
- De raad vroeg wanneer de nieuwe regels zouden ___. (gelden)
- De leraar zei dat de leerling de opdracht al had ___. (afgerond)
- Hij zei dat hij het rapport de volgende ochtend zou ___. (afgeven)
- De bewoners vroegen of de bus 's ochtends ook ___. (rijden)
- De voorzitter meldde dat de stemming zou worden ___. (uitgesteld)
- Zij bevestigde dat zij de sleutel had ___. (vergeten)
- De klager vroeg waarom de termijn steeds werd ___. (verlengd)
- Hij zei dat hij er ___ van uitging. (van)