Learn Dutch
B2 · Verbs

Indirect speech

Hij zei dat hij …: reporting words with a shifted tense.

  1. Hij zei dat hij de volgende dag zou ___. (komen)
  2. Zij vroeg of de vergissing al ___ was. (opgemerkt)
  3. De directeur beval de medewerkers het document direct te ___. (verzenden)
  4. De getuige verklaarde dat hij de brief nooit had ___. (zien)
  5. De raad vroeg wanneer de nieuwe regels zouden ___. (gelden)
  6. De leraar zei dat de leerling de opdracht al had ___. (afgerond)
  7. Hij zei dat hij het rapport de volgende ochtend zou ___. (afgeven)
  8. De bewoners vroegen of de bus 's ochtends ook ___. (rijden)
  9. De voorzitter meldde dat de stemming zou worden ___. (uitgesteld)
  10. Zij bevestigde dat zij de sleutel had ___. (vergeten)
  11. De klager vroeg waarom de termijn steeds werd ___. (verlengd)
  12. Hij zei dat hij er ___ van uitging. (van)