Learn Dutch
B2 · Verbs

The pluperfect in formal writing

Had plus participle for what happened before another past.

  1. De aanbesteding werd uitgesteld, omdat de vergunning nog niet was ___. (verlenen)
  2. Toen de commissie de stukken doornam, had het college de bewoners al ___. (informeren)
  3. De aannemer legde uit dat hij de schade nog niet had ___. (melden)
  4. Wij konden niet betalen, want de leverancier had de factuur nog niet ___. (sturen)
  5. Toen de bewoners arriveerden, was de vergadering al ___. (beginnen)
  6. Het college erkende dat het de bewoners eerder had moeten ___. (informeren)
  7. De audit concludeerde dat de boekhouding nooit was ___. (controleren)
  8. De directeur zei dat de klant de offerte al had ___. (accepteren)
  9. De bewoners vroegen waarom niemand hen had ___. (waarschuwen)
  10. Toen de oplevering plaatsvond, had de aannemer de laatste posten nog niet ___. (afronden)
  11. De klager verklaarde dat de politie de schade had ___. (verhelpen)
  12. De raad besloot dat de tarieven nog niet waren ___. (verhogen)