Learn Dutch
B2 · Verbs

The modal perfect in official writing

Had gemoeten, had gekund, had moeten: past obligation.

  1. De directeur had de bewoners eerder moeten ___. (informeren)
  2. De aannemer had de schade kunnen ___. (melden)
  3. Wanneer de klant niet had ___, was de zaak mislukt. (betalen)
  4. Het college had de bewoners eerder kunnen ___. (waarschuwen)
  5. De beoordelaar had de aanvraag kunnen ___. (afkeuren)
  6. Zij had het dossier niet hoeven ___. (inzenden)
  7. Had de gemeente het onderhoud niet ___, was de schade groter geweest. (verwaarlozen)
  8. De commissie had dit niet kunnen ___. (voorspellen)
  9. Hij had het rapport op tijd moeten ___. (indienen)
  10. De leverancier had de bestelling op tijd kunnen ___. (versturen)
  11. De huisman had de reparatie eerder moeten ___. (melden)
  12. Het had ons veel werk bespaard als wij dat ___ hadden. (weten)