B2 · Verbs
The modal perfect in official writing
Had gemoeten, had gekund, had moeten: past obligation.
- De directeur had de bewoners eerder moeten ___. (informeren)
- De aannemer had de schade kunnen ___. (melden)
- Wanneer de klant niet had ___, was de zaak mislukt. (betalen)
- Het college had de bewoners eerder kunnen ___. (waarschuwen)
- De beoordelaar had de aanvraag kunnen ___. (afkeuren)
- Zij had het dossier niet hoeven ___. (inzenden)
- Had de gemeente het onderhoud niet ___, was de schade groter geweest. (verwaarlozen)
- De commissie had dit niet kunnen ___. (voorspellen)
- Hij had het rapport op tijd moeten ___. (indienen)
- De leverancier had de bestelling op tijd kunnen ___. (versturen)
- De huisman had de reparatie eerder moeten ___. (melden)
- Het had ons veel werk bespaard als wij dat ___ hadden. (weten)