Learn Dutch
B2 · Verbs

Reflexive verbs in an official register

Zich houden aan, zich richten tot, zich verzetten tegen.

  1. Het college heeft zich te ___ aan de afspraken die zijn gemaakt. (houden)
  2. Wij verzoeken u zich te ___ tot de projectleider. (richten)
  3. De aanbesteding heeft zich in de loop van de jaren ___. (vertragen)
  4. De zaak heeft zichzelf ___. (oplossen)
  5. De kosten hebben zich in de loop der jaren ___. (opbouwen)
  6. Hij heeft zich kandidaat ___ voor de functie van directeur. (stellen)
  7. De bewoners hebben zich krachtig ___ tegen het plan. (verzetten)
  8. Het gebied heeft zich in de loop der jaren ___. (uitbreiden)
  9. Ik kan me er niets bij ___. (voorstellen)
  10. De bewoners hebben zich laten ___ over de plannen. (voorlichten)
  11. De kandidaat heeft zich ondertussen ___. (terugtrekken)
  12. Het college heeft zich ___ gevoeld de plannen te herzien. (gevoelen)