Learn Dutch
B2 · Verbs

Verbs of obligation in a legal register

Zijn verplicht, dienen, geboden zijn: binding rules.

  1. Volgens de verordening ___ de huishoudens hun afval op de juiste dag aan te bieden. (zijn)
  2. Elke aanbieder ___ de gestelde eisen onverkort na te komen. (dienen)
  3. Het is ___ om op de stoep te parkeren. (zijn)
  4. De huurder is ___ aan de bepalingen in de huurovereenkomst. (zijn)
  5. De werkgever ___ de werknemer niet zonder toestemming ontslaan. (mogen)
  6. Het college is ___ om de bewoners over de sloop te informeren. (zijn)
  7. De opdrachtgever ___ een vertraging onmiddellijk te melden. (dienen)
  8. Bij overtreding wordt een boete ___. (opleggen)
  9. Iedereen is ___ aan de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht. (zijn)
  10. Deelnemers ___ de ruimten niet zonder toestemming betreden. (mogen)
  11. Het is niet ___ om in de tuin van de buren te parkeren. (zijn)
  12. De contractant is ___ de verzekeringsplicht na te komen. (zijn)