Learn Dutch
B2 · Verbs

Verbs of necessity

Vereisen, vergten, nodig zijn, geboden zijn: what is required.

  1. Het aanbestedingsdossier ___ een uitsluitingsverklaring. (vereisen)
  2. Voor deze functie is een rijbewijs ___. (zijn)
  3. Het is ___ om binnen het pand te roken. (zijn)
  4. De overheid ___ de werkgevers om een plan voor te leggen. (dwingen)
  5. Deze maatregel ___ om een strakker toezicht. (vragen)
  6. De klant ___ van de aannemer een schriftelijke bevestiging. (verlangen)
  7. De belastingdienst ___ van belastingplichtigen een volledige opgave. (eisen)
  8. Het gebied heeft een eigen beheerorganisatie ___. (hebben)
  9. Deze verordening ___ tot de gemeentelijke regelgeving. (behoren)
  10. De bewoners ___ meer grip op het onderhoud. (wensen)
  11. De richtlijnen schrijven voor dat een aanbieder moet aantonen over voldoende capaciteit te ___. (beschikken)
  12. Deze oplossing ___ bij aan een lagere energierekening. (bijdragen)