B2 · Verbs
Causative verbs: laten, doen, help
Causing someone to do something: laten, doen, help.
- De huisman laat de verwarming elk jaar ___. (controleren)
- De aannemer liet de leiding direct ___. (vervangen)
- De gemeente laat de gevel van het pand ___. (restaureren)
- Zij liet de meubels in de kantine ___. (verplaatsen)
- De directeur liet de cijfers nog eens ___, voordat ze naar de raad gingen. (controleren)
- Wij laten de administratie de aanvragen ___ en te beoordelen. (verwerken)
- Hij liet de hele zaal ___ voordat hij begon te praten. (verlaten)
- De klant liet de tekening opnieuw ___. (maken)
- De bewoners hielpen de ouderen met de ___. (verhuizen)
- De vrijwilligers helpen de ouderen hun tuin ___ en te onderhouden. (opfrissen)
- Wij laten de fietsen iedere maand ___. (nakijken)
- De jury liet de kandidaten een korte toespraak ___. (houden)