Learn Dutch
B2 · Verbs

Causative verbs: laten, doen, help

Causing someone to do something: laten, doen, help.

  1. De huisman laat de verwarming elk jaar ___. (controleren)
  2. De aannemer liet de leiding direct ___. (vervangen)
  3. De gemeente laat de gevel van het pand ___. (restaureren)
  4. Zij liet de meubels in de kantine ___. (verplaatsen)
  5. De directeur liet de cijfers nog eens ___, voordat ze naar de raad gingen. (controleren)
  6. Wij laten de administratie de aanvragen ___ en te beoordelen. (verwerken)
  7. Hij liet de hele zaal ___ voordat hij begon te praten. (verlaten)
  8. De klant liet de tekening opnieuw ___. (maken)
  9. De bewoners hielpen de ouderen met de ___. (verhuizen)
  10. De vrijwilligers helpen de ouderen hun tuin ___ en te onderhouden. (opfrissen)
  11. Wij laten de fietsen iedere maand ___. (nakijken)
  12. De jury liet de kandidaten een korte toespraak ___. (houden)