B2 · Verbs
Verbs of evaluation
Beoordelen, waarderen, afkeuren: judging quality.
- De beoordelaar ___ het voorstel als onvoldoende. (beoordelen)
- De raad ___ het initiatief van de wijkbewoners zeer waardevol. (waarderen)
- De inspectie keurde het plan af omdat de kosten te hoog ___. (waren)
- De commissie ___ de aanpak als innovatief en haalbaar. (beschouwen)
- De jury prijsde het werk van de architect met de gouden ____. (penning)
- De criticus noemde het ontwerp ___ en rammelend. (noemen)
- De bewoners oordelen de nieuwe voorzieningen als een ___. (verbetering)
- De audit beoordeelde de administratie als ___. (doelmatig)
- De raad waardeerde de inzet van de vrijwilligers en sprak hen ___. (dank)
- De aanbestedingscommissie oordeelde dat de prijs van de oplossing niet ___. (redelijk)
- De consumentenorganisatie beoordeelde de voorwaarden als ongunstig voor de ___. (klant)
- De redactie keurde het artikel af vanwege de onjuiste ___. (feiten)