Learn Dutch
B2 · Verbs

Verbs of evaluation

Beoordelen, waarderen, afkeuren: judging quality.

  1. De beoordelaar ___ het voorstel als onvoldoende. (beoordelen)
  2. De raad ___ het initiatief van de wijkbewoners zeer waardevol. (waarderen)
  3. De inspectie keurde het plan af omdat de kosten te hoog ___. (waren)
  4. De commissie ___ de aanpak als innovatief en haalbaar. (beschouwen)
  5. De jury prijsde het werk van de architect met de gouden ____. (penning)
  6. De criticus noemde het ontwerp ___ en rammelend. (noemen)
  7. De bewoners oordelen de nieuwe voorzieningen als een ___. (verbetering)
  8. De audit beoordeelde de administratie als ___. (doelmatig)
  9. De raad waardeerde de inzet van de vrijwilligers en sprak hen ___. (dank)
  10. De aanbestedingscommissie oordeelde dat de prijs van de oplossing niet ___. (redelijk)
  11. De consumentenorganisatie beoordeelde de voorwaarden als ongunstig voor de ___. (klant)
  12. De redactie keurde het artikel af vanwege de onjuiste ___. (feiten)