B2 · Verbs
Verbs of measurement
Meten, wegen, meten op, uitkomen: measuring and sizes.
- De timmerman ___ de deur op maat. (meten)
- De vloer van de hal ___ ruim tien vierkante meter. (meten)
- Het wijkplan ___ het hele gebied rond het station. (bestrijken)
- De aanbesteding ___ op ongeveer 1,5 miljoen euro. (uitkomen)
- De bewoners vroegen hoeveel de renovering zou ___. (kosten)
- Het gebouw meet 2.400 vierkante meter en telt acht ___. (verdieping)
- De norm voor de geluidsbelasting ___ 55 dB. (bedragen)
- De omvang van het project is in twee jaar ___. (verdubbelen)
- De beoordelaar ___ de kosten op 3,2 miljoen euro. (begroten)
- De batterij kan nog vijftig kilometer ___. (rijden)
- De stroomvoorziening is de afgelopen jaren fors ___. (toegenomen)
- De oude balie is vervangen door een balie die de hele breedte ___. (beslaan)