Learn Dutch
B2 · Verbs

Verbs of measurement

Meten, wegen, meten op, uitkomen: measuring and sizes.

  1. De timmerman ___ de deur op maat. (meten)
  2. De vloer van de hal ___ ruim tien vierkante meter. (meten)
  3. Het wijkplan ___ het hele gebied rond het station. (bestrijken)
  4. De aanbesteding ___ op ongeveer 1,5 miljoen euro. (uitkomen)
  5. De bewoners vroegen hoeveel de renovering zou ___. (kosten)
  6. Het gebouw meet 2.400 vierkante meter en telt acht ___. (verdieping)
  7. De norm voor de geluidsbelasting ___ 55 dB. (bedragen)
  8. De omvang van het project is in twee jaar ___. (verdubbelen)
  9. De beoordelaar ___ de kosten op 3,2 miljoen euro. (begroten)
  10. De batterij kan nog vijftig kilometer ___. (rijden)
  11. De stroomvoorziening is de afgelopen jaren fors ___. (toegenomen)
  12. De oude balie is vervangen door een balie die de hele breedte ___. (beslaan)