Learn Dutch
B2 · Verbs

Verbs with a gerund

Opschorten, verbieden, opleveren, toevoegen: verbs + gerund.

  1. Het college verbiedt het parkeren in de ___. (verbieden)
  2. De directie schort de uitvoering van het project ___. (opschorten)
  3. De afdeling levert elk kwartaal een ___. (opleveren)
  4. De aannemer voegt de kosten voor extra werk aan de offerte ___. (toevoegen)
  5. De Inspectie Leid (ILT) houdt toezicht op het ___ van gevaarlijke stoffen. (vervoeren)
  6. Wij vragen om uitstel van het ___ van de huur. (betaling)
  7. De regering wil het ___ van sigaretten in het park. (verbieden)
  8. Het bestuur keurde het voorstel van het ___ af. (afwijzen)
  9. De aannemer moet het snelst mogelijk ___. (opleveren)
  10. De huurder moet het achterstallig onderhoud zelf ___. (verhelpen)
  11. De bank eist een schriftelijke ___. (toestemming)
  12. Wij dringen aan op een snelle ___ van de klachten. (behandeling)