Learn Dutch
B2 · Verbs

Verbs with a dat-clause

Erkennen, melden, verifiëren: verbs that take a dat-clause.

  1. De directeur erkende dat de berekening niet ___. (kloppen)
  2. De inspectie ___ dat er een fout in de constructie zat. (melden)
  3. De bank ___ dat de betaling was ontvangen. (bevestigen)
  4. De onderzoeker ___ dat de cijfers overeenkwamen met de bron. (verifiëren)
  5. De aanklager ___ dat de verdachte de rekening had geopend. (stellen)
  6. Wij verzoeken u ___ dat de ontvangst is geregistreerd. (bevestigen)
  7. De getuige ___ dat zij de overdracht persoonlijk had gezien. (verklaren)
  8. De raad ___ vast dat de procedure correct was gevolgd. (vaststellen)
  9. De ouders moeten ___ waarom de leerling absent was. (verklaren)
  10. De bewoners vroegen of de gemeente de belastingverhoging had ___. (aangekondigd)
  11. Het college ___ aan de bewoners dat er niets zou veranderen. (bevestigen)
  12. De klager ___ dat de aannemer de termijn had overschreden. (stellen)