Learn Dutch
B2 · Verbs

Verbs of comparison

Vergelijken, overtreffen, gelijken op: comparing things.

  1. De cijfers van dit jaar ___ die van vorig jaar. (overtreffen)
  2. Het aanbod van leverancier A ___ dat van leverancier B. (vergelijken)
  3. De beoordeling van dit jaar ___ die van het vorige jaar duidelijk. (uitstijgen)
  4. De uitkomsten van de pilot ___ de verwachtingen van het college. (achterblijven)
  5. Deze oplossing ___ sterk op die van de concurrentie. (gelijken)
  6. De kosten van het plan liggen ruim ___ de geraamde begroting. (onder)
  7. De dienstverlening kan niet ___ worden gehouden met andere steden. (vergeleken)
  8. Deze maatregel moet worden ___ met de maatregel uit 2019. (vergelijken)
  9. Het aanbod van de ene partij ___ in prijs niet af van dat van de andere. (wijken)
  10. De snelheid van het nieuwe systeem ___ die van het oude. (evenaren)
  11. De resultaten van het onderzoek ___ de eerdere bevindingen. (bevestigen)
  12. De klant ___ de prijs van de vorige levering, en dat zette de onderhandelingen op spanning. (vergelijken)