B2 · Verbs
Verbs of expectation
Verwachten, rekenen op, uitgaan van: what is expected.
- Er wordt verwacht dat de bewoners volgende week worden ___. (informeren)
- De opdrachtgever rekent op een oplevering in het najaar ___. (realiseren)
- Wij gaan ervan uit dat de oplevering ___. (doen)
- De bewoners verwachten geen verandering in de ___. (buurt)
- De aannemer anticipeert op verdere ___ van de opdrachtgever. (vragen)
- Volgens de prognose zal de vraag het aanbod ___. (overtreffen)
- Men mag verwachten dat de dienstverlening sneller wordt ___. (verbeterd)
- De raad verwacht dat de bewoners hun zorgen zullen ___. (uiten)
- Wij rekenen erop dat de levering op tijd ___. (zijn)
- De bewoners gaan ervan uit dat er niets zal ___. (veranderen)
- Het college verwacht de aanbesteding in het voorjaar te ___. (starten)
- De beoordelaar verwachtte een ___. (reactie)