Learn Dutch
B2 · Verbs

Verbs of expectation

Verwachten, rekenen op, uitgaan van: what is expected.

  1. Er wordt verwacht dat de bewoners volgende week worden ___. (informeren)
  2. De opdrachtgever rekent op een oplevering in het najaar ___. (realiseren)
  3. Wij gaan ervan uit dat de oplevering ___. (doen)
  4. De bewoners verwachten geen verandering in de ___. (buurt)
  5. De aannemer anticipeert op verdere ___ van de opdrachtgever. (vragen)
  6. Volgens de prognose zal de vraag het aanbod ___. (overtreffen)
  7. Men mag verwachten dat de dienstverlening sneller wordt ___. (verbeterd)
  8. De raad verwacht dat de bewoners hun zorgen zullen ___. (uiten)
  9. Wij rekenen erop dat de levering op tijd ___. (zijn)
  10. De bewoners gaan ervan uit dat er niets zal ___. (veranderen)
  11. Het college verwacht de aanbesteding in het voorjaar te ___. (starten)
  12. De beoordelaar verwachtte een ___. (reactie)