Learn Dutch
B2 · Verbs

Verbs in a policy document

Vaststellen, gelden, uitvoeren, handhaven: policy language.

  1. Deze regels ___ voor alle medewerkers van de instelling. (gelden)
  2. Het beleid wordt elk jaar opnieuw vastgesteld door het ___. (bestuur)
  3. De normen moeten binnen drie maanden in de praktijk worden ___. (toepassen)
  4. De handhaving van dit beleid wordt jaarlijks ___. (evalueren)
  5. Indien een medewerker het beleid overtreedt, wordt een ___. (melding)
  6. De regels die in dit document zijn opgenomen, worden jaarlijks ___. (herzien)
  7. Werknemers zijn verplicht de veiligheidsvoorschriften ___. (naleving)
  8. De klachtenprocedure wordt door de ombudsman jaarlijks ___. (toetsen)
  9. Het college zal de uitkomsten van deze evaluatie ___ aan de raad. (voorleggen)
  10. Deze richtlijn is in werking getreden op 1 januari en geldt totdat zij wordt ___. (vervangen)
  11. Afwijkingen dienen vooraf aan de directie te worden ___. (gemeld)
  12. De uitvoering van dit beleid wordt ___ aan de hand van de cijfers. (beoordelen)