B2 · Verbs
Verb clusters
Double infinitives: heeft moeten werken, heb staan wachten.
- Ik heb gisteren tot laat ___ werken. (moeten)
- We hebben een uur op de bus ___ wachten. (staan)
- Ze heeft haar fiets ___ repareren. (laten)
- Ik heb hem nog nooit zo hard ___ lachen. (horen)
- Ze vertelde dat ze die dag niet had ___ werken. (kunnen)
- Wij zijn gisteren ___ zwemmen. (gaan)
- De kinderen ___ al een uur te gamen. (zitten)
- Waarom heb je dat niet eerder ___ zeggen? (willen)
- Ik had het rapport vorige week al moeten ___. (afmaken)
- Hij beweert dat hij de dief heeft ___ weglopen. (zien)
- De gevangene heeft ___ te ontsnappen. (weten)
- Waarom ben je gisteren niet ___ kijken? (komen)