Learn Dutch
B2 · Verbs

Verb clusters

Double infinitives: heeft moeten werken, heb staan wachten.

  1. Ik heb gisteren tot laat ___ werken. (moeten)
  2. We hebben een uur op de bus ___ wachten. (staan)
  3. Ze heeft haar fiets ___ repareren. (laten)
  4. Ik heb hem nog nooit zo hard ___ lachen. (horen)
  5. Ze vertelde dat ze die dag niet had ___ werken. (kunnen)
  6. Wij zijn gisteren ___ zwemmen. (gaan)
  7. De kinderen ___ al een uur te gamen. (zitten)
  8. Waarom heb je dat niet eerder ___ zeggen? (willen)
  9. Ik had het rapport vorige week al moeten ___. (afmaken)
  10. Hij beweert dat hij de dief heeft ___ weglopen. (zien)
  11. De gevangene heeft ___ te ontsnappen. (weten)
  12. Waarom ben je gisteren niet ___ kijken? (komen)