Learn Dutch
B2 · Verbs

Conditionals

zou + infinitive, had/was + participle, mocht.

  1. Als ik meer tijd ___, zou ik vaker sporten. (hebben)
  2. Als we eerder ___ vertrokken, hadden we de trein gehaald. (zijn)
  3. Als je het mij had gevraagd, ___ ik je graag geholpen. (hebben)
  4. Wij ___ graag een afspraak maken voor volgende week. (zullen)
  5. ___ u nog vragen hebben, dan kunt u contact met ons opnemen. (mogen)
  6. Als de regering de belastingen ___ verhogen, zouden veel mensen protesteren. (zullen)
  7. Had ik dat maar eerder ___! (weten)
  8. Zonder jouw hulp ___ ik het nooit gered. (hebben)
  9. Als zij niet ziek ___ geworden, zou ze nu op vakantie zijn. (zijn)
  10. In jouw plaats ___ ik eerst met je leidinggevende praten. (zullen)
  11. Hij zou de baan hebben ___ als het salaris hoger was geweest. (aannemen)
  12. Als de trein op tijd was geweest, ___ we de vergadering niet gemist. (hebben)