B2 · Verbs
Conditionals
zou + infinitive, had/was + participle, mocht.
- Als ik meer tijd ___, zou ik vaker sporten. (hebben)
- Als we eerder ___ vertrokken, hadden we de trein gehaald. (zijn)
- Als je het mij had gevraagd, ___ ik je graag geholpen. (hebben)
- Wij ___ graag een afspraak maken voor volgende week. (zullen)
- ___ u nog vragen hebben, dan kunt u contact met ons opnemen. (mogen)
- Als de regering de belastingen ___ verhogen, zouden veel mensen protesteren. (zullen)
- Had ik dat maar eerder ___! (weten)
- Zonder jouw hulp ___ ik het nooit gered. (hebben)
- Als zij niet ziek ___ geworden, zou ze nu op vakantie zijn. (zijn)
- In jouw plaats ___ ik eerst met je leidinggevende praten. (zullen)
- Hij zou de baan hebben ___ als het salaris hoger was geweest. (aannemen)
- Als de trein op tijd was geweest, ___ we de vergadering niet gemist. (hebben)