B2 · Verbs
Participles in longer sentences
Participles as adjectives, in fronted phrases and in passive meaning.
- Het stadsarchief, dat in 1890 werd ___, wordt nu gerenoveerd. (bouwen)
- Vanaf de dijk gezien, ___ de oude kerktor enorm indrukwekkend. (lijken)
- Het gebouw, al jaren ___, werd vorige week op de monumentenlijst geplaatst. (verwaarlozen)
- Verbijsterd door het plotselinge bericht, ___ de redacteur de vergadering af. (verbijsteren)
- De excursie, ___ door de gids, begint om tien uur bij de ingang. (organiseren)
- De tekst, in de loop van de eeuwen herhaaldelijk ___, is moeilijk te lezen. (overschrijven)
- Haastig ___ om de trein te halen, liet de receptionist de telefoon op de balie liggen. (vertrekken)
- Het ___ lawaai van de drukke weg hield ons de hele nacht wakker. (brullen)
- Het ___ water van de rivier dreigde de kade te overspoelen. (stijgen)
- De sfeer, ___ door de muziek en het eten, was ontspannen. (opwekken)
- Nadat de brug ___ was, konden de bussen weer rijden. (repareren)
- Het terrein, ___ door de oude fabriek, wordt nu herontwikkeld tot woongebied. (omringen)