Learn Dutch
B2 · Verbs

Participles in longer sentences

Participles as adjectives, in fronted phrases and in passive meaning.

  1. Het stadsarchief, dat in 1890 werd ___, wordt nu gerenoveerd. (bouwen)
  2. Vanaf de dijk gezien, ___ de oude kerktor enorm indrukwekkend. (lijken)
  3. Het gebouw, al jaren ___, werd vorige week op de monumentenlijst geplaatst. (verwaarlozen)
  4. Verbijsterd door het plotselinge bericht, ___ de redacteur de vergadering af. (verbijsteren)
  5. De excursie, ___ door de gids, begint om tien uur bij de ingang. (organiseren)
  6. De tekst, in de loop van de eeuwen herhaaldelijk ___, is moeilijk te lezen. (overschrijven)
  7. Haastig ___ om de trein te halen, liet de receptionist de telefoon op de balie liggen. (vertrekken)
  8. Het ___ lawaai van de drukke weg hield ons de hele nacht wakker. (brullen)
  9. Het ___ water van de rivier dreigde de kade te overspoelen. (stijgen)
  10. De sfeer, ___ door de muziek en het eten, was ontspannen. (opwekken)
  11. Nadat de brug ___ was, konden de bussen weer rijden. (repareren)
  12. Het terrein, ___ door de oude fabriek, wordt nu herontwikkeld tot woongebied. (omringen)