Learn Dutch
B2 · Verbs

Passive with modals and negation

moet gemaakt worden, mag niet gebruikt worden, had gehouden moeten worden.

  1. De glasvezelkabel moet nog deze zomer ___ worden. (aangelegd)
  2. In deze streek mag geen plastic ___ worden. (verpakken)
  3. De verstrekte informatie kan niet ___ worden. (controleren)
  4. De dienstregeling hoeft niet ___ te worden. (herzien)
  5. De rekening moet door de huurder zelf ___ worden. (betalen)
  6. In dit pand wordt 's nachts niets ___. (stelen)
  7. Die vergadering had veel eerder gehouden moeten ___. (houden)
  8. Het plan mag niet ___ worden zonder de bewoners eerst te informeren. (bespreken)
  9. Het plan moet eerst aan de buurt ___ worden. (voorleggen)
  10. Waarom moet die medische keuring elk jaar ___ worden? (herhalen)
  11. Dat materiaal mag niet zomaar ___ worden. (wissen)
  12. Ook zonder toestemming van de eigenaar kan de reparatie niet ___ worden. (uitvoeren)