B2 · Verbs
The krijgen-passive
Hij kreeg een boete opgelegd: the receiver as subject.
- Hij ___ vorige week een boete opgelegd. (krijgen)
- Alle deelnemers krijgen na afloop een certificaat ___. (uitreiken)
- Ik heb gisteren eindelijk de documenten ___ gekregen. (toesturen)
- Zij ___ volgend jaar een hoger salaris uitbetaald. (krijgen)
- De patiënt kreeg een nieuw medicijn ___. (voorschrijven)
- Wij hebben te horen ___ dat de vergadering niet doorgaat. (krijgen)
- Mijn buurman heeft zijn geld nooit ___ gekregen. (terugbetalen)
- Wie het formulier te laat inlevert, ___ geen subsidie toegekend. (krijgen)
- De winnaar krijgt de prijs van de burgemeester ___. (overhandigen)
- Ik kreeg de baan ___, terwijl ik niet eens had gesolliciteerd. (aanbieden)
- Hoeveel geld ___ je per maand van je ouders toegestopt? (krijgen)
- Tegenwoordig ___ klanten hun bestelling binnen een dag thuisbezorgd. (krijgen)