Learn Dutch
B2 · Verbs

The krijgen-passive

Hij kreeg een boete opgelegd: the receiver as subject.

  1. Hij ___ vorige week een boete opgelegd. (krijgen)
  2. Alle deelnemers krijgen na afloop een certificaat ___. (uitreiken)
  3. Ik heb gisteren eindelijk de documenten ___ gekregen. (toesturen)
  4. Zij ___ volgend jaar een hoger salaris uitbetaald. (krijgen)
  5. De patiënt kreeg een nieuw medicijn ___. (voorschrijven)
  6. Wij hebben te horen ___ dat de vergadering niet doorgaat. (krijgen)
  7. Mijn buurman heeft zijn geld nooit ___ gekregen. (terugbetalen)
  8. Wie het formulier te laat inlevert, ___ geen subsidie toegekend. (krijgen)
  9. De winnaar krijgt de prijs van de burgemeester ___. (overhandigen)
  10. Ik kreeg de baan ___, terwijl ik niet eens had gesolliciteerd. (aanbieden)
  11. Hoeveel geld ___ je per maand van je ouders toegestopt? (krijgen)
  12. Tegenwoordig ___ klanten hun bestelling binnen een dag thuisbezorgd. (krijgen)