Learn Dutch
B2 · Verbs

Passive in all tenses

wordt / werd for the process, is / was for the perfect, zal … worden for the future.

  1. Het nieuwe stadhuis ___ vorig jaar door de koning geopend. (zijn)
  2. Op dit moment ___ de brug gerepareerd; je moet omrijden. (worden)
  3. Toen wij aankwamen, ___ het eten al opgediend. (zijn)
  4. De resultaten ___ volgende week bekendgemaakt worden. (zullen)
  5. Vroeger ___ hier elk jaar een groot feest georganiseerd. (worden)
  6. Er ___ de afgelopen jaren veel te weinig huizen gebouwd. (zijn)
  7. Het contract had vorige maand al ondertekend moeten ___. (worden)
  8. Er ___ gisteren tot diep in de nacht gefeest. (worden)
  9. Volgens de politie ___ de verdachte inmiddels aangehouden. (zijn)
  10. De oude fabriek ___ in 2030 gesloopt worden. (zullen)
  11. Als de brief op tijd ___ verstuurd, had hij hem nog ontvangen. (zijn)
  12. Het museum ___ elk jaar door meer dan een miljoen mensen bezocht. (worden)