Learn Dutch
B2 · Verbs

Verb clusters in subclauses

dat hij het had moeten doen, of het gered kan worden…

  1. Ze vertelde dat ze het hele weekend ___ moeten werken. (hebben)
  2. Ik weet niet of ik het rapport voor vrijdag af ___ krijgen. (kunnen)
  3. Hij zei dat hij zijn auto had ___ repareren. (laten)
  4. Ik hoop dat ik volgend jaar in Amsterdam ___ gaan wonen. (kunnen)
  5. We merkten dat de kinderen al uren ___ te spelen. (zitten)
  6. Het is de vraag of het gebouw nog gered ___ worden. (kunnen)
  7. Ik begrijp niet waarom hij dat ooit heeft ___ zeggen. (durven)
  8. Ze was blij dat ze haar ouders nog één keer had ___ bezoeken. (kunnen)
  9. De directeur ontkent dat hij van de fraude ___ geweten. (hebben)
  10. Omdat we een taxi hebben moeten ___, is de reis duurder geworden. (nemen)
  11. Ik denk dat hij de fout nooit ___ willen toegeven. (zullen)
  12. Je had echt niet ___ te komen, maar wat lief! (hoeven)