B2 · Verbs
Participles as adjectives
Present participles (-end) and past participles before a noun.
- Door de ___ vraag naar woningen stijgen de prijzen. (groeien)
- De ___ fiets werd twee dagen later teruggevonden. (stelen)
- Het pas ___ station trekt veel bezoekers. (renoveren)
- De meeste toeristen bleven, ___ door het slechte weer, in hun hotel. (afschrikken)
- Wij zoeken een ___ collega voor ons team. (motiveren)
- De ___ kosten waren veel hoger dan verwacht. (maken)
- Eenzaamheid onder jongeren is een ___ probleem. (toenemen)
- In de ___ maanden wordt er een nieuwe directeur gekozen. (komen)
- De ___ documenten moeten vóór vrijdag worden ingeleverd. (vragen)
- Het gisteren ___ rapport bevat een aantal opvallende conclusies. (publiceren)
- Zij vertelde met ___ stem over haar ervaringen. (trillen)
- Een ___ hond bijt niet. (blaffen)