Learn Dutch
B2 · Verbs

Participles as adjectives

Present participles (-end) and past participles before a noun.

  1. Door de ___ vraag naar woningen stijgen de prijzen. (groeien)
  2. De ___ fiets werd twee dagen later teruggevonden. (stelen)
  3. Het pas ___ station trekt veel bezoekers. (renoveren)
  4. De meeste toeristen bleven, ___ door het slechte weer, in hun hotel. (afschrikken)
  5. Wij zoeken een ___ collega voor ons team. (motiveren)
  6. De ___ kosten waren veel hoger dan verwacht. (maken)
  7. Eenzaamheid onder jongeren is een ___ probleem. (toenemen)
  8. In de ___ maanden wordt er een nieuwe directeur gekozen. (komen)
  9. De ___ documenten moeten vóór vrijdag worden ingeleverd. (vragen)
  10. Het gisteren ___ rapport bevat een aantal opvallende conclusies. (publiceren)
  11. Zij vertelde met ___ stem over haar ervaringen. (trillen)
  12. Een ___ hond bijt niet. (blaffen)