Learn Dutch
B2 · Verbs

Passive with modals

moet / kan / mag + participle + worden, and past forms.

  1. De aanvraag ___ binnen acht weken behandeld worden. (moeten)
  2. Volgens experts had de dijk al jaren geleden ___ moeten worden. (versterken)
  3. Deze medicijnen ___ alleen op recept verstrekt worden. (mogen)
  4. Het probleem had voorkomen ___ worden als iemand eerder had ingegrepen. (kunnen)
  5. Ik denk niet dat dit project voor vrijdag ___ kan worden. (afronden)
  6. Gisteren ___ de vergadering vanwege de storm worden uitgesteld. (moeten)
  7. Het nieuwe beleid zal volgend jaar ___ worden. (invoeren)
  8. Die fout had door de redactie ___ moeten worden. (opmerken)
  9. Kan de rekening ook in termijnen ___ worden? (betalen)
  10. Volgens de wet ___ huurders minstens drie maanden van tevoren geïnformeerd worden. (moeten)
  11. Het museum zou dit jaar ___ worden, maar de verbouwing liep vertraging op. (heropenen)
  12. Er wordt verwacht dat de resultaten pas in maart bekendgemaakt ___ worden. (kunnen)