Learn Dutch
C1 · Adjectives & articles

Comparison and degree adverbs

Comparative forms, degree adverbs and doubling the adjective.

  1. De zaal is ___ voor de geplande groep. (klein)
  2. Het voorstel is ___ onderbouwd dan de eerdere versie. (zwak)
  3. De aanpak van de vorige commissie was ___ overwegen dan die van de huidige. (gemakkelijk)
  4. De uitkomsten zijn ___ dan wij aanvankelijk hadden verwacht. (gunstig)
  5. Hij is ___ bezig met het uitwerken van het draaiboek. (druk)
  6. Het rapport is ___ opgesteld om de cijfers te verifiëren. (bewust)
  7. De regiogroep hield de vergadering ___, waardoor er weinig tijd was voor vragen. (kort)
  8. Deze oplossing is ___ voor de dienstverlening. (ingrijpend)
  9. De omslag van de kosten is niet zo ___ als vorig jaar. (duidelijk)
  10. Het is ___ dat de vergelijking door de achtergrond van de cijfers wordt beïnvloed. (waarschijnlijk)
  11. Zij oordeelde ___ over het voorstel dan haar collega. (kritisch)
  12. De kosten zijn ___ hoog om binnen de begroting te blijven. (hoog)