Learn Dutch
C1 · Adjectives & articles

Fine points of inflection

iets + adjective + s, fixed phrases, material adjectives, adverbs.

  1. Er is niets ___ onder de zon. (nieuw)
  2. Is er vandaag nog iets ___ gebeurd? (bijzonder)
  3. Laten we het over iets ___ hebben. (anders)
  4. Iets ___ heb ik nog nooit meegemaakt. (dergelijk)
  5. Daarmee trap je een ___ deur in. (open)
  6. Ze droeg een ___ ring van haar grootmoeder. (goud)
  7. Het ___ vervoer rijdt vanavond niet. (openbaar)
  8. Het ___ overschot werd naar Nederland overgebracht. (stoffelijk)
  9. Het ___ zieke kind werd direct opgenomen. (ernstig)
  10. We zoeken het ___ mogelijke tijdstip. (vroeg)
  11. Wat een ___ voorstel! (absurd)
  12. Boven de polder hing een ___ hemel. (grijs)