C1 · Adjectives & articles
Fine points of inflection
iets + adjective + s, fixed phrases, material adjectives, adverbs.
- Er is niets ___ onder de zon. (nieuw)
- Is er vandaag nog iets ___ gebeurd? (bijzonder)
- Laten we het over iets ___ hebben. (anders)
- Iets ___ heb ik nog nooit meegemaakt. (dergelijk)
- Daarmee trap je een ___ deur in. (open)
- Ze droeg een ___ ring van haar grootmoeder. (goud)
- Het ___ vervoer rijdt vanavond niet. (openbaar)
- Het ___ overschot werd naar Nederland overgebracht. (stoffelijk)
- Het ___ zieke kind werd direct opgenomen. (ernstig)
- We zoeken het ___ mogelijke tijdstip. (vroeg)
- Wat een ___ voorstel! (absurd)
- Boven de polder hing een ___ hemel. (grijs)