Learn Dutch
C1 · Adjectives & articles

Articles: determiners & pronouns

elk/elke, ons/onze, welk/welke, dit/deze, het/hem for things.

  1. ___ medewerker ontvangt een persoonlijke uitnodiging.
  2. ___ lid heeft één stem.
  3. Wij zijn trots op ___ personeel.
  4. ___ medewerkers verdienen een compliment.
  5. Ik heb het rapport gelezen, maar ik vond ___ te lang.
  6. Waar is de sleutel? Ik kan ___ nergens vinden.
  7. Het voorstel was goed, maar de raad heeft ___ toch verworpen.
  8. ___ besluit heeft de raad uiteindelijk genomen?
  9. Ik bedoel niet dit rapport, maar ___ van vorig jaar.
  10. ___ documenten moeten nog worden ondertekend.
  11. ___ kind heeft recht op onderwijs.
  12. Het verslag ___ gisteren werd rondgestuurd, bevat fouten.