Learn Dutch
C1 · Adjectives & articles

Articles: gender, meaning & suffixes

Words that change meaning with de/het, and suffix rules.

  1. ___ stof op de kast was in geen maanden weggehaald.
  2. ___ stof waarvan deze jas is gemaakt, is waterdicht.
  3. De chauffeur hield ___ portier voor haar open.
  4. ___ portier van het hotel droeg onze koffers naar boven.
  5. ___ belangrijkste criterium is betaalbaarheid.
  6. ___ werkwijze van de commissie wordt herzien.
  7. ___ argument van de oppositie overtuigde niemand.
  8. ___ liberalisme heeft diepe wortels in Nederland.
  9. ___ bal van het jaar vond plaats in het stadhuis.
  10. ___ pad door het bos was na de regen erg modderig.
  11. ___ initiatief kwam van de bewoners zelf.
  12. ___ procedure duurt gemiddeld zes weken.