Learn Dutch
C1 · Adjectives & articles

Adjectives as nouns & special cases

de rijken, het mooie, iets mooiers, zulk, place-name adjectives.

  1. De ___ worden steeds rijker. (rijk)
  2. Het ___ aan dit plan is de eenvoud. (mooi)
  3. De krant had vandaag weinig ___ te melden. (nieuw)
  4. Ik wens je al het ___ voor de toekomst. (goed)
  5. Er waren veel ___ op het congres. (belangstellend)
  6. Zulk ___ weer hebben we lang niet gehad. (slecht)
  7. Het ___ publiek reageerde enthousiast. (Amsterdams)
  8. Zij is de ___ van de klas. (slim)
  9. Ze trouwde met een ___ meisje uit Sneek. (Fries)
  10. De ___ in de samenleving verdienen bescherming. (zwak)
  11. Iets ___ dan dit uitzicht kan ik me niet voorstellen. (mooi)
  12. Het ___ wat je kunt doen, is je excuses aanbieden. (weinig)