Learn Dutch
C1 · Adjectives & articles

Adjectives: participles & comparison

Participle adjectives, spelling changes and comparative forms.

  1. De ___ cijfers wijken sterk af van de prognose. (bijgesteld)
  2. Het eenmaal ___ besluit wordt niet teruggedraaid. (genomen)
  3. Dit is verreweg de ___ oplossing. (eenvoudig)
  4. Het nieuwe voorstel is ___ dan het vorige. (concreet)
  5. Het is een ___ probleem dan we dachten. (complex)
  6. We zoeken een ___ oplossing dan de huidige. (duurzaam)
  7. Hoe ___ het debat, hoe beter de kijkcijfers. (fel)
  8. Het ___ gedrag van de supporters werd scherp veroordeeld. (agressief)
  9. Ze presenteerde een ___ voorstel. (doordacht)
  10. Het ___ meisje durfde niets te zeggen. (verlegen)
  11. De ___ verhoudingen in de coalitie zorgen voor spanning. (scheef)
  12. Het ___ beeld in de media werd later rechtgezet. (vertekend)