C1 · Prepositions
Er, daar & waar + preposition
Pronominal adverbs, often split across the sentence.
- Waar heeft de commissie het eigenlijk ___ gehad?
- Ik ben het er helemaal niet ___ eens.
- Waar___ dient deze maatregel eigenlijk?
- Daar had niemand ___ gerekend.
- Het is een kwestie waar ik al jaren ___ worstel.
- Waar hangt het succes van het plan ___ af?
- Er wordt al jaren ___ gediscussieerd.
- Dat is precies het punt waar het ___ draait.
- Waar ben je eigenlijk ___ bang?
- De vraag is waar de lezer ___ behoefte heeft.
- Ik heb er geen enkel bezwaar ___.
- Hij heeft er alles ___ gedaan om de schade te beperken.