Learn Dutch
C1 · Prepositions

Er, daar & waar + preposition

Pronominal adverbs, often split across the sentence.

  1. Waar heeft de commissie het eigenlijk ___ gehad?
  2. Ik ben het er helemaal niet ___ eens.
  3. Waar___ dient deze maatregel eigenlijk?
  4. Daar had niemand ___ gerekend.
  5. Het is een kwestie waar ik al jaren ___ worstel.
  6. Waar hangt het succes van het plan ___ af?
  7. Er wordt al jaren ___ gediscussieerd.
  8. Dat is precies het punt waar het ___ draait.
  9. Waar ben je eigenlijk ___ bang?
  10. De vraag is waar de lezer ___ behoefte heeft.
  11. Ik heb er geen enkel bezwaar ___.
  12. Hij heeft er alles ___ gedaan om de schade te beperken.