Learn Dutch
C1 · Prepositions

Prepositions of cause, purpose and concession

Nouns and phrases expressing cause, aim and contrast.

  1. De stijging van de zorgkosten is een belangrijke oorzaak ___ de personeelsuitval.
  2. Het doel ___ de nieuwe regeling is de transparantie over de tarieven te vergroten.
  3. Met het oog ___ de bezuinigingen worden de diensten ingeperkt.
  4. De introductie van de nieuwe werkwijze is ten behoeve ___ de klantgerichtheid.
  5. ___ de strenge winter was het verkeer extra druk.
  6. ___ de klachten van de omwonenden besloot de gemeente de plek te verplaatsen.
  7. Er bestaat twijfel ___ de haalbaarheid van het plan.
  8. Het beleid is gericht ___ het verminderen van de uitstoot.
  9. ___ het slechte weer is de inspectie uitgesteld.
  10. De reden ___ de sluiting van de vestiging is onduidelijk.
  11. Er is een grote behoefte ___ aanvullend personeel.
  12. Tegen het advies van de rekenkamer heeft de minister het besluit toch ___.