Learn Dutch
C1 · Prepositions

Verbs + preposition

Advanced verbs with a fixed preposition.

  1. De minister beriep zich ___ het advies van de Raad van State.
  2. De oppositie drong aan ___ een onafhankelijk onderzoek.
  3. Deze verplichting vloeit voort ___ de nieuwe wet.
  4. Het besluit berust ___ verouderde gegevens.
  5. Uiteindelijk heeft zij zich ___ de uitslag neergelegd.
  6. De campagne speelt slim ___ de angst van kiezers in.
  7. Wij komen graag ___ uw wensen tegemoet.
  8. Zijn reactie getuigt ___ weinig respect.
  9. Na lang beraad heeft hij ___ verdere stappen afgezien.
  10. Hoe verhoudt dit standpunt zich ___ uw eerdere uitspraken?
  11. Zij heeft zich jarenlang ___ de vertaling van Russische poëzie toegelegd.
  12. Hij kon zich niet ___ de indruk onttrekken dat men hem wantrouwde.