Learn Dutch
C1 · Prepositions

Nouns + preposition

Nouns that take a fixed preposition.

  1. Er is een grote vraag ___ technici.
  2. Haar bijdrage ___ het debat werd zeer gewaardeerd.
  3. De invloed van sociale media ___ jongeren wordt vaak overschat.
  4. Ik heb veel respect ___ mijn tegenstanders.
  5. Het verbod ___ vuurwerk stuit op verzet.
  6. De oorzaak ___ het ongeluk is nog onbekend.
  7. Hij heeft een hekel ___ eindeloos vergaderen.
  8. De reactie ___ het voorstel was lauw.
  9. De verhouding ___ beide landen is gespannen.
  10. Er is geen sprake ___ een structureel probleem.
  11. In ruil ___ zijn medewerking kreeg hij strafvermindering.
  12. De angst ___ het onbekende is diep geworteld.