Learn Dutch
C1 · Prepositions

More verbs + preposition

Formal verbs with a fixed preposition.

  1. Het rapport wijst ___ een structureel tekort.
  2. Hij werd ___ fraude veroordeeld.
  3. Het succes is te danken ___ een goede voorbereiding.
  4. De discussie mondde uit ___ een felle ruzie.
  5. Twee leden hebben zich ___ stemming onthouden.
  6. Wij wijzen iedere verantwoordelijkheid ___ de hand.
  7. Het bedrijf anticipeert ___ nieuwe regelgeving.
  8. De partij distantieerde zich ___ de uitspraken van haar woordvoerder.
  9. Het plan stuitte ___ veel weerstand.
  10. Zij streeft ___ een eerlijke verdeling van de lasten.
  11. Dit hangt nauw samen ___ de vergrijzing.
  12. De patiënt is ___ zijn verwondingen overleden.