In het Zuid-Limburgse dorp Noorbeek spreekt nog een aanzienlijk deel van de bevolking een Limburgs dialect, maar dat gebruik verdwijnt snel. Een sociolinguistisch onderzoek aan de Universiteit Maastricht volgde zeven jaar lang veertig gezinnen met kinderen in de leeftijd van vier tot tien jaar. De onderzoekers wilden weten op welk moment de overdracht van de taal naar de ouders stopt.
Het verloop bleek verrassend gelijkmatig. Bij de jongste kinderen was het dialect nog dagelijks in gebruik; bij de oudsten in de onderzoeksgroep sprak nog een kwart van de kinderen het met beide ouders. Daartussen lag een scherpe grens, vrijwel exact op het moment dat de kinderen naar de basisschool gingen.
Volgens de onderzoekers speelt de school een grotere rol dan ouders doorgaans aannemen. Ouders blijven het dialect thuis gebruiken, maar zodra een kind eenmaal op school Nederlands spreekt, wordt het dialect thuis als een spelletje ervaren. Het overgangsproces dat vroeger jaren duurde, is inmiddels in enkele maanden voltooid.
De auteurs maken een voorbehoud. Zij baseren hun conclusies op één dorp en op gezinnen die vrijwillig meewerkten; in gezinnen met een migratieachtergrond ligt de taalverhouding volgens hen aanzienlijk anders. Toch menen zij dat taalverlies niet onvermijdelijk is, maar vooral samenhangt met de vraag of een kind de taal zinvol vindt.