Het Stadsmuseum ontvangt jaarlijks een gemeentelijke subsidie van negen miljoen euro. Dat is de grootste post op de begroting, maar volgens directeur Anneke Verhoeven niet de belangrijkste. Een kwart van de inkomsten bestaat uit entree, een ander kwart uit sponsoring, en de opdracht die het museum bij de provincie heeft, is de derde inkomstenbron. De rest, bijna een derde, is onvoorspelbaar: donaties, erfgoeduitkeringen en incidenteel verkoop van werk.
Verhoeven zegt dat de onvoorspelbare post de zorgvuldigste uitgave is. Een project dat in één jaar moet worden gerealiseerd, kan alleen worden opgezet als de financiering voor meerdere jaren is vastgelegd. Dat dwingt tot een manier van plannen die de directeur als onwerkbaar ervaart: een museum dat voortdurend op zoek is naar het volgende bedrag, bouwt niet voor de eeuwigheid maar voor het komende seizoen.
Het museum heeft daarom twee afspraken gemaakt met grote sponsors. De ene stelt een jaarlijkse bijdrage voor in ruil voor een naam die op een zaal wordt vermeld. De andere betaalt een collectie-aankoop in ruil voor een langdurige samenwerking, waarbij het werk toegankelijk blijft voor het publiek. Verhoeven noemt de tweede afspraak belangrijker, omdat die de collectie versterkt in plaats van de reputatie.
De directeur vraagt zich af hoe lang dat nog kan. De subsidie groeit niet mee met de inflatie, terwijl de kosten van energie, transport en conservering wel stijgen. Wie de collectie moet verzorgen, zegt zij, zal het omslagpunt bereiken waarop bezuinigd moet worden op de dingen die het publiek niet ziet, en dat is precies het werk waar een collectie op leeft.