Fatima koos vorig jaar voor een cursus Nederlands in de wijk. Zij spreekt Arabisch, Perzisch en Engels, en zij had al twee keer geprobeerd de taal te leren zonder ooit verder te komen dan de eerste lessen. Toen zij op de vraag wat er nu anders was, niet zei dat de docent anders was, maar dat zij zelf had begrepen dat leren een gewoonte is en geen project.
De taaldocent die haar begeleidt, legt uit dat volwassen leerders vaak ongeduldig zijn. Zij willen in een half jaar kunnen bellen, een klacht indienen of een gesprek voeren met de huisarts, en verwachten dat een cursus hun daar in brengt. Dat kan volgens haar, maar alleen als de leerders accepteren dat hun zinnen in het begin fout zijn en dat daar niets aan te verhelpen valt.
Het curriculum dat zij gebruikt is opgebouwd rond concrete handelingen. Eerst de markt, daarna de arts, daarna de gemeente. Bij elke handeling horen woorden die in de echte situatie voorkomen, en er is altijd een grammaticale vorm die opvalt: de keuze tussen de en of de op het einde van een zin, de volgorde van de bijvoeglijk naamwoord. Die vorm wordt niet aangeleerd als regel, maar getoond in de zin waarin hij voorkomt.
Wat volgens haar de meeste impact heeft, is niet de les maar de sfeer ernaast. In de pauze wordt Nederlands gesproken, ook als er een tolk aanwezig is die alles zou kunnen vertalen. De tolk is er, zegt ze, maar wordt niet gebruikt tenzij het echt niet lukt. Wie eenmaal een fout maakt in het openbaar, merkt dat de groep daar niet om lacht, en dat is het moment waarop de twijfel verdwijnt.