Om drie uur 's nachts is de bakkerij in de stad open en dat is volgens onderzoeker Ilse Kramer geen toeval. Zij heeft de agenda's van duizenden werknemers in de zorg, de logistiek en de horeca verzameld en concludeert dat de nachtdienst niet zomaar een tegenzuur is, maar een structureel onderdeel van de arbeidsmarkt.
De gevolgen voor het lichaam zijn aantoonbaar. Kracht uitoefenen, concentreren en zelfs de stemming veranderen bij een verschuiving van het dag- en nachtritme. De meeste mensen weten dat slecht slapen de tolerantie voor alcohol verlaagt; hetzelfde geldt volgens Kramer voor de reactie op suiker en voor de snelheid van het wondherstel. Een ploegendienst die elke week wisselt, telt daarbij op.
In de zorg is het probleem het grootst, omdat het werk daar niet uitstelbaar is. Verpleegkundigen kunnen hun diensten niet uitruilen zoals chauffeurs dat kunnen, en de personeelsplanning in veel instellingen houdt nauwelijks rekening met slaaptekort. Kramer noemt het een aanpassing aan de logistiek van de zorg, zonder de zorg zelf op een andere manier te organiseren.
De oplossing die zij bepleit, is bekend uit de ergonomische literatuur: vaste ritmen, een nachtdienst die niet elke week wisselt, en een maximum aantal nachtdachten per maand. Vooral het laatste lijkt volgens haar haalbaar. Bedrijven die hun planning op de lange termijn inrichten, zegt Kramer, hebben daar minder moeite mee dan bedrijven die ad hoc op vakanties en ziekte inspelen. Dat is misschien het verrassende: niet de medewerker moet zich aanpassen, maar de planning.