De vervoersregio verdeelt het budget voor het openbaar vervoer over een dertig gemeenten tellende regio. De verdeelsleidsel stamt uit het jaar 1998 en is sindsdien zelden aangepast. Het gevolg is dat de kosten per inwoner in de stad veel hoger liggen dan in de kleine gemeenten aan de rand, waar de bus nauwelijks wordt gebruikt maar wel volledig in de begroting staat.
De directeur van het regionale vervoersbedrijf pleit voor een nieuwe verdeelsleidsel waarin het aantal reizigers per gemeente de doorslaggevende factor wordt. Haar argument is dat het huidige systeem het meest betaalt voor de minste reizigers, en dus het minst doeltreffend is. Een bestuur dat nauwelijks openbaar vervoer gebruikt, betaalt volgens haar evenveel als een groot stadsbestuur met honderdduizenden ritten per maand.
De gemeentelijke bestuurders uit de buitengebieden bestrijden dat. Zij wijzen op de maatschappelijke functie van het vervoer: de bus verbindt mensen die geen auto hebben met werk, zorg en onderwijs. Zonder die verbinding zouden veel ouderen en jongeren opgesloten raken in hun gemeente. Bovendien is de bus in de winter het enige vervoer dat een dorp in de buurt nog heeft.
De onderzoeker die het vervoersrapport schreef, komt tot een tussenvorm: een basisbedrag per inwoner, aangevuld met een deel van de kosten dat naar het gebruik wordt verdeeld. Volgens hem voorkomt die combinatie dat kleine gemeenten het vervoer opgeven, terwijl grote besturen niet langer het volledige risico dragen. De vraag is vooral politiek: hij zegt dat de cijfers makkelijker te leveren zijn dan de overtuiging.