Op zaterdagochtend is het landgoed De Biesbosch in de Achterhoek het toneel van een kleine groep amateurarcheologen. Zij graven een rechthoek van twee bij drie meter, laag voor laag, en leggen alles op een zeef. Wat bovenkomt, gaat naar een fotograaf die alles in een catalogus registreert. Op de website van de groep staat dat er in tien jaar tijd achttienduizend vondsten zijn vastgelegd.
De groep heeft geen vergunning voor de opgraving, en dat is precies waar de discussie begint. Volgens de Monumentenwet is het verboden om grond te roeren zonder toestemming, ook als er niets waardevolle blijkt te liggen. De amateur groepen in het land zijn in de duizenden, en de meesten daarvan zoeken een uitweg in vrijwilligerswerk dat zo dicht mogelijk bij de regels blijft.
De archeoloog die de groep begeleidt, erkent dat niet alles wat de groep doet volgens de regels is. Maar zij zegt ook dat de groep werk doet dat de professionals niet meer doen. Het aantal meldingen van vondsten bij de archeologische monumentenzorg is in twintig jaar sterk gedaald, en volgens haar is dat geen bewijs dat er minder te vinden is, maar een bewijs dat er minder wordt gemeld.
De discussie over een nieuwe vergunning duurt al jaren. Een concept-nota stelt dat amateurgroepen een eigen vergunning kunnen krijgen, mits zij een opleiding volgen en een archeoloog aan de leiding hebben. Tegenstanders vrezen dat het een open deur wordt. Volgens hen is de grens tussen een hobby en een opgraving moeilijk te bewaken, en zodra de regels soepeler worden, is de bescherming van het bodemarchief niet meer gegarandeerd.