Wie de nieuwe centrale bibliotheek binnenloopt, verwacht boeken. Die zijn er ook, maar je moet er even naar zoeken. Het eerste wat de bezoeker ziet, is een immense trappartij van licht hout die zich als een tribune naar de bovenverdiepingen slingert. Op de treden zitten scholieren met laptops, een oudere man leest de krant, twee moeders drinken koffie terwijl hun kinderen van tree naar tree klauteren. Boeken spelen in dit tafereel een bijrol.
Dat is geen ontwerpfout, maar een bewuste keuze. De architecten spreken in hun toelichting van 'de bibliotheek als derde plek': een openbare ruimte tussen thuis en werk in, waar iedereen welkom is zonder iets te hoeven kopen. In een tijd waarin cafés duur zijn geworden en buurthuizen zijn wegbezuinigd, is dat een sympathieke ambitie. En het moet gezegd: als ontmoetingsplek functioneert het gebouw uitstekend. Het is licht, warm en uitnodigend, en het daglicht dat via de getrapte glazen gevel binnenvalt, geeft de ruimte iets feestelijks.
Toch knaagt er iets. Een bibliotheek is meer dan een overdekt plein. Ze is ook een plek van concentratie, van stilte, van langdurige omgang met teksten. Juist daarvoor biedt dit gebouw opvallend weinig ruimte. De studieplekken zijn weggestopt op de bovenste verdieping, waar het geroezemoes van de tribune ongehinderd doordringt. Een aparte, afsluitbare leeszaal ontbreekt. Wie hier een middag geconcentreerd wil lezen, doet er goed aan een koptelefoon mee te nemen.
Het gebouw is daarmee symptomatisch voor een bredere ontwikkeling. Bibliotheken moeten zich tegenwoordig legitimeren met bezoekersaantallen en maatschappelijke 'impact', en daarvoor lenen gezelligheid en evenementen zich beter dan stilte. Een stille leeszaal levert nu eenmaal geen aansprekende foto's op voor het jaarverslag. Dat valt de architecten niet aan te rekenen; zij hebben vakkundig uitgevoerd wat hun opdrachtgever vroeg. Maar de vraag blijft of een stad niet ook behoefte heeft aan een plek waar het juist niet gezellig hoeft te zijn.