De cijfers liegen er niet om. Uit het internationale PISA-onderzoek van 2022 blijkt ongeveer een derde van de Nederlandse vijftienjarigen onvoldoende te kunnen lezen om volwaardig aan de samenleving deel te nemen. Ze kunnen een eenvoudige tekst ontcijferen, maar haken af zodra een betoog uit meer dan een paar alinea's bestaat. Dat is geen randverschijnsel; het is een sluipende crisis.
Gebruikelijk is om de schuld bij de smartphone te leggen. Dat is verleidelijk, want het ontslaat ons van de plicht naar onszelf te kijken. Toch is het te gemakkelijk. Ook vóór de komst van sociale media lazen jongeren steeds minder, en het onderwijs is daar mede debet aan. Jarenlang is lezen op school behandeld als een vaardigheid die je kunt trainen met losse oefeningen: hoofdgedachte zoeken, signaalwoorden onderstrepen, meerkeuzevragen invullen. Wie zo leert lezen, leert vooral dat lezen een kunstje is – en een saai kunstje bovendien.
Onderzoek wijst al geruime tijd uit dat begrijpend lezen sterk afhangt van achtergrondkennis. Wie iets weet van de Tweede Wereldoorlog, begrijpt een tekst over de Hongerwinter beter dan wie dat niet weet, ongeacht hoeveel leesstrategieën hij beheerst. Kennis is met andere woorden geen bijproduct van lezen, maar een voorwaarde ervoor.
Daaruit volgt een even simpele als ongemakkelijke conclusie: scholen moeten minder tijd besteden aan het oefenen van strategieën en meer aan het lezen van rijke, samenhangende teksten over geschiedenis, natuur en cultuur. Dat vergt geen nieuwe methodes of dure programma's, maar wel moed. Het betekent immers dat we afscheid nemen van een aanpak waarin we jarenlang hebben geïnvesteerd.
Critici zullen tegenwerpen dat niet elke leerling zich laat boeien door lange teksten. Dat is waar, maar het is geen argument. Ook niet elke leerling houdt van rekenen, en toch zou niemand voorstellen om de tafels dan maar over te slaan. Een leesvaardige bevolking is geen luxe, maar een voorwaarde voor een democratie waarin burgers kranten, wetten en bijsluiters kunnen begrijpen.