Sinds de coronapandemie is thuiswerken voor veel kantoormedewerkers de norm geworden, en daarmee ook het onderwerp van een levendig publiek debat. Werkgevers vrezen voor de productiviteit, werknemers wijzen op de gewonnen reistijd. Beide kampen beroepen zich graag op onderzoek, en in talkshows en opiniestukken worden cijfers aangehaald alsof de kwestie allang beslecht is. Een nadere beschouwing van dat onderzoek leert echter dat de bewijsvoering aan beide kanten minder stevig is dan vaak wordt gesuggereerd.
Een veelgeciteerde enquête concludeerde bijvoorbeeld dat werknemers die vaker thuiswerken, productiever zijn. Bij die conclusie zijn ten minste twee kanttekeningen te plaatsen. In de eerste plaats was de productiviteit zelfgerapporteerd: respondenten gaven zelf aan hoe productief zij zich voelden. Het is aannemelijk dat juist thuiswerkers geneigd zijn hun eigen prestaties positief in te schatten, al was het maar om hun vrijheid te rechtvaardigen. In de tweede plaats is er sprake van selectie. Werknemers die veel thuiswerken, doen dat vaak omdat hun leidinggevende hen vertrouwt – en dat vertrouwen is mogelijk juist gebaseerd op eerdere goede prestaties. Het verband zou dus evengoed omgekeerd kunnen lopen.
Sterker bewijs komt uit gerandomiseerde experimenten, waarin het toeval bepaalt wie thuis werkt en wie op kantoor. Dergelijke studies zijn schaars en hebben bovendien vaak betrekking op specifieke functies, zoals klantenservice, waarbij productiviteit eenvoudig te meten is in het aantal afgehandelde gesprekken. Of de resultaten ook opgaan voor beleidsmedewerkers, onderzoekers of creatieve beroepen, valt te betwijfelen. Bovendien meten zulke experimenten doorgaans alleen de korte termijn; over de effecten op samenwerking, innovatie en loopbaanontwikkeling na een aantal jaren zeggen ze weinig.
Dit alles betekent niet dat thuiswerken geen effect heeft, maar wel dat we voorzichtig moeten zijn met algemene uitspraken. Het meest verdedigbare standpunt is vermoedelijk ook het minst spectaculaire: de effecten hangen af van het soort werk, de persoon en de manier waarop teams zijn georganiseerd. Wie meer beweert, beweert waarschijnlijk meer dan de gegevens toelaten.