Learn Dutch
C1 · Verbs

The passive with a modal verb

Modal + worden + participle in official and formal Dutch.

  1. De aanvraag moet uiterlijk 1 mei ___ bij de afdeling. (worden)
  2. Het jaarverslag kan elk jaar door de rekenkamer ___. (worden)
  3. De oude loods zal in het voorjaar ___. (worden)
  4. De cijfers moeten eerst ___ voordat ze gepubliceerd worden. (worden)
  5. Zo'n ingrijpend besluit mag niet ___ zonder de ondernemingsraad te horen. (worden)
  6. Had het contract maar eerder ___. (worden)
  7. De klacht moet binnen de gestelde termijn ___. (worden)
  8. Alle dossiers moeten vóór 1 juli ___. (worden)
  9. De bezuiniging zou niet ___ zonder de werknemers te raadplegen. (worden)
  10. Het gebouw had moeten ___ voordat de bewoningen verhuisten. (worden)
  11. De vergissing had vermeden kunnen ___. (worden)
  12. Wat de rekenkamer heeft opgemerkt, moet in het jaarverslag ___. (worden)