Learn Dutch
C1 · Verbs

Fixed verb and preposition pairs

Formal verb and preposition combinations learned as one unit.

  1. De secretaris moet zich verantwoorden ___ de uitgaven van het fonds. (verantwoorden voor)
  2. De directie gaat bij de begroting uit ___ de prognose van het externe bureau. (uitgaan van)
  3. De directeur moet instaan ___ de beslissing van de raad. (instaan voor)
  4. De raad heeft zich het recht voorbehouden ___ een eigen onderzoek. (zich het recht voorbehouden om te)
  5. De raad besteedt onvoldoende aandacht ___ de klachten van de omwonenden. (aandacht besteden aan)
  6. De aanvraag voldoet ___ de voorwaarden die in de regeling staan. (voldoen aan)
  7. De raad moet toezien ___ de correcte uitvoering van de bezuinigingen. (toezien op)
  8. De stichting beroept zich ___ de wettelijke beveiliging van de gegevens. (beroepen op)
  9. De werkwijze van de afdeling wijkt ___ de richtlijnen van het ministerie. (afwijken van)
  10. De inspectie gaat zorgvuldig om ___ de persoonsgegevens van de patiënten. (omgaan met)
  11. De vakbond is opgekomen ___ de belangen van de werknemers bij de reorganisatie. (opkomen voor)
  12. De rekenkamer heeft nog niet gereageerd ___ het verzoek om extra informatie. (reageren op)