Learn Dutch
C1 · Verbs

Perfect with zijn or hebben

Choosing the auxiliary of the perfect in formal Dutch.

  1. De samenstelling van het college is sinds 2024 ___. (veranderen)
  2. De woonlast is in de afgelopen jaren flink ___. (stijgen)
  3. De rekenkamer heeft de uitgaven aan de zorginstellingen ___. (onderzoeken)
  4. De bewoners hebben tegen het plan van de aannemer ___. (protesteren)
  5. De directie heeft de tarieven in het afgelopen jaar ___. (verhogen)
  6. Het verenigingslogo is vorig jaar ___. (veranderen)
  7. De klachtencommissie heeft de dossiers van de afdeling ___. (doorschouwen)
  8. De bewoners van de wijk zijn in groten getale ___. (vertrekken)
  9. De commissie heeft de conclusies van het eerste rapport ___. (herzien)
  10. De stand van zaken is sinds de hoorzitting ___. (verbeteren)
  11. Het college heeft de bewoners van het gebied ___. (informeren)
  12. De voorzitter van de commissie is tijdens de hoorzitting ___. (vertrekken)